Angst

Iedereen is wel eens ergens bang voor. Angst is een menselijke reactie die ons beschermt. Het beschermt ons tegen gevaar en weerhoudt ons ervan overmoedig te zijn. In die zin is angst dus een nuttige emotie. Toch overkomt het sommige mensen dat de angst hun leven gaat beheersen.
Angst is een pijnlijk gevoel van ongenoegen en van mogelijk dreigend gevaar. Wanneer de angst ongegrond is en de omstandigheden hiertoe geen aanleiding geven, spreken we van een angststoornis. Als gevolg van de angst gaat men het angstwekkende object of de angstwekkende situatie uit de weg. De gevolgen van een angststoornis kunnen  zowel voor de persoon zelf als ook voor diens omgeving zeer ernstig zijn. 19% van de Nederlanders heeft ooit in zijn leven last van een angststoornis. Een angststoornis komt vaker voor bij vrouwen dan bij mannen.

Verschillende soorten angststoornissen

Er zijn verschillende soorten angststoornissen. Hieronder vindt u meer informatie.

Paniekstoornis
In Nederland heeft 10% van de mensen wel eens een paniekaanval gehad, maar een paniekstoornis komt voor bij bijna 4%.
Iemand die aan een paniekstoornis lijdt, wordt regelmatig overvallen door een korte, hevige angst. De paniek volgt op lichamelijke reacties als transpireren, hartkloppingen, duizeligheid, trillingen en benauwdheid. Deze lichamelijke reacties leiden vaak tot meer angstige gedachten. De lichamelijke reacties worden vaak verkeerd geïnterpreteerd. Men is dan bijvoorbeeld opeens bang om flauw te vallen of om een hartaanval te krijgen.  Men heeft het gevoel de controle te verliezen.
Een paniekaanval kan wel eens voorkomen. We spreken pas van een stoornis wanneer deze aanvallen regelmatig terugkeren. Vaak leidt een paniekstoornis tot het vermijden van allerlei situaties om een nieuwe aanval te voorkomen. Sommige mensen ontwikkelen daarbij agorafobie (straatvrees). Het vermijden van bepaalde situaties zorgt ervoor dat men minder last heeft van paniekaanvallen. Dit werkt vaak goed op de korte termijn en lijkt de juiste aanpak. Het betekent echter meestal dat men steeds minder durft te ondernemen en voor steeds meer dingen angstig wordt. De kwaliteit van leven wordt daardoor minder en men kan niet meer genieten. Ook wordt men bijvoorbeeld afhankelijk van anderen voor het doen van dingen die men zelf niet durft.

Behandeling
Door middel van de juiste behandeling kan een angststoornis vaak sterk verbeteren. De behandeling kan bestaan uit medicijnen (antidepressiva of kalmerende middelen) of cognitieve gedragstherapie, of een combinatie van beide.
Cognitieve therapie gaat in op het denkpatroon van de patiënt en laat deze inzien dat het angstgevoel het gevolg is van een verkeerde interpretatie van lichamelijke verschijnselen, zoals een versnelde hartslag. Het formuleren van een meer realistischer interpretatie is een groot onderdeel van cognitieve therapie. Bij een paniekstoornis gepaard met agorafobie is gedragstherapie vaak effectief, omdat deze therapie het vermijdingsgedrag behandelt.

Fobie
Een fobie is een angst voor een specifiek voorwerp of een specifieke situatie. Mensen met een fobie zijn bang voor bijvoorbeeld dieren of specifieke voorwerpen. Tevens kan er een angst bestaan voor een sociale situatie zoals een verjaardag waar veel mensen aanwezig zijn. De angst gaat vaak gepaard met lichamelijke reacties zoals transpireren, hartkloppingen of benauwdheid. Meestal weet de persoon in kwestie dat de angst ongegrond is, echter de angst wint het vaak van de wetenschap. Wanneer de angst zodanig groot is dat deze het functioneren van de persoon in kwestie ernstig belemmert, spreken we van een fobie.
In Nederland krijgt 10% van de mensen te maken met een specifieke fobie, een sociale komt voor bij ruim 7% van de Nederlandse bevolking.
Er zijn twee soorten fobieën:

  • een specifieke fobie: angst voor één bepaald ding, dier of situatie. De persoon in kwestie is bijvoorbeeld bang voor honden, spinnen of de tandarts. Hoogtevrees of de angst voor bloed zijn ook voorbeelden van een specifieke fobie.
  • een sociale fobie: angst om iets te doen in de aanwezigheid van andere personen. Iemand heeft bijvoorbeeld angst voor het geven van een presentatie. Op bezoek gaan bij andere mensen kan ook angst veroorzaken. Men is zo bang om in verlegenheid gebracht te worden dat sociale situaties zoveel mogelijk vermeden worden.

Behandeling
Door middel van de juiste behandeling kan een angststoornis vaak sterk verbeteren. De behandeling kan bestaan uit medicijnen (antidepressiva of kalmerende middelen) of cognitieve gedragstherapie, of een combinatie van beide.
Cognitieve therapie gaat in op het denkpatroon van de patiënt en laat deze inzien dat het angstgevoel het gevolg is van een verkeerde interpretatie van lichamelijke verschijnselen, zoals een versnelde hartslag. Het formuleren van een meer realistischer interpretatie is een groot onderdeel van cognitieve therapie. Gedragstherapie bij een fobie is gericht op blootstelling aan het onderwerp van de fobie, om zo de angstklachten te verminderen.

Obsessieve-compulsieve stoornis
Bijna 1% van de Nederlandse bevolking krijgt te maken met een obsessieve-compulsieve stoornis of dwangstoornis te maken. Een obsessieve-compulsieve stoornis wordt gekenmerkt door dwanggedachten (obsessies) en/of dwanghandelingen (compulsies). Dwanggedachten zijn ideeën, gedachten, beelden of flitsen die steeds terugkeren of aanhouden en die aanzienlijke angst en ongemak veroorzaken. Een voorbeeld is de steeds terugkerende gedachte over stof en bacteriën en de mogelijkheid van besmetting of infectie. Men schaamt zich vaak voor dergelijke gedachten en wordt onzeker. Als gevolg hiervan onderneemt men pogingen om deze gedachten te onderdrukken, neutraliseren of te negeren. Het neutraliseren komt regelmatig voor in de vorm van dwanghandelingen. Dit zijn herhaalde en voor de persoon in kwestie ogenschijnlijk zinvolle handelingen die op een bepaalde wijze moeten worden uitgevoerd. Een voorbeeld is het herhaaldelijk handen wassen wanneer men iets aangeraakt heeft.

Behandeling
De eerste voorkeur is een behandeling door middel van cognitieve gedragstherapie. In sommige gevallen kan er tevens medicatie voorgeschreven worden, bijvoorbeeld wanneer er zeer veel situaties zijn waarin de dwanggedachten en dwanghandelingen een rol spelen of wanneer er naast de obsessief-compulsieve stoornis ook sprake is van een depressie.
De cognitieve gedragstherapie wordt vormgegeven door  middel van ‘blootstelling’ aan situaties of obsessies waar men bang voor is, het achterwege laten van dwanghandelingen, het vragen van geruststelling en het uitvoeren van gedachterituelen. Dit vindt plaats via een geleidelijke, stapsgewijze aanpak. Tevens wordt er aandacht besteed aan de dwanggedachten die mede bijdragen aan het voortbestaan van de obsessieve-compulsieve stoornis. Vaak schat men de kans op problemen, gevaren en rampen veel hoger in dan realistisch is, evenals de eigen verantwoordelijkheden daarin.

Posttraumatische stress-stoornis
De oorzaak van een posttraumatische stress-stoornis, of PTTS, is een schokkende en heftige ervaring waarbij men geconfronteerd wordt met een traumatische gebeurtenis. Voorbeelden van traumatische gebeurtenissen zijn geweldsincidenten zoals bijvoorbeeld een overval, ernstige ongevallen of de confrontatie met plotselinge verwondingen of de dood. Er kan gesproken worden van PTSS wanneer er na het meemaken van de traumatische gebeurtenis, sprake is van symptomen van herbelevingen, vermijding en verhoogde prikkelbaarheid. De herbelevingen komen voor in de vorm van onvrijwillige indringende pijnlijke herinneringen aan de traumatische gebeurtenis, zoals nachtmerries of flashbacks. Iemand met PTSS probeert situaties, plaatsen of mensen die doen denken aan de traumatische gebeurtenis te vermijden. Vaak verandert daarnaast de cognitie en stemming in negatieve zin, bijvoorbeeld door negatieve gedachten over zichzelf of emoties zoals angst, boosheid, schaamte en schuldgevoel. Positieve gevoelens kunnen minder goed ervaren worden. Men heeft daarnaast last van verhoogde prikkelbaarheid, wat zich kan uiten in overmatige schrikreacties of waakzaamheid, prikkelbaarheid en roekeloos gedrag. Om te kunnen spreken van een PTSS moeten de symptomen minstens een maand aanwezig zijn en beperkingen in het dagelijks functioneren veroorzaken.
Ongeveer 80% van de Nederlandse bevolking maakt minimaal één traumatische ervaring mee tijdens zijn of haar leven. Ongeveer 10% van de mensen die een traumatische ervaring meemaakt, ontwikkelt een PTSS.

Behandeling
De angstige reacties kunnen uitdoven door middel van cognitieve gedragstherapie. Hierbij wordt men onder begeleiding van de psycholoog blootgesteld aan de herinnering van de traumatische gebeurtenis. Daarnaast krijgt men de opdracht situaties die angst oproepen doordat ze in verband staan met het trauma, op te zoeken.
Wanneer deze psychologische behandeling niet voldoende effect heeft, of als er naast PTSS ook sprake is van ernstige depressie wordt in de behandeling gekozen voor medicatie.

Acute stress-stoornis
De oorzaak van een acute stress-stoornis is net als bij een PTTS, een schokkende en heftige ervaring waarbij men geconfronteerd wordt met een traumatische gebeurtenis. Men wordt geconfronteerd met bijvoorbeeld een inbraak, mishandeling of verkrachting. De persoon in kwestie ervaart een constante spanning en ervaart de traumatische gebeurtenis steeds opnieuw bijvoorbeeld in dromen.  Het verschil tussen een acute stress-stoornis en een PTSS is de tijdsduur. Een acute stress-stoornis duurt minimaal twee dagen en maximaal vier weken. Men krijgt deze stoornis binnen vier weken na de traumatische gebeurtenis. Als de klachten langer duren dan een maand, kan er sprake zijn van een PTSS. De symptomen van een PTSS kunnen tevens veel later ontstaan. 

Gegeneraliseerde angststoornis
Mensen met een gegeneraliseerde angststoornis zijn continu gespannen en angstig. Zij piekeren voortdurend en zijn bang dat er iets vreselijks gaat gebeuren.Ook deze vorm van een angststoornis gaat vaak gepaard met lichamelijke klachten. Mensen met een gegeneraliseerde angststoornis ervaren vaak slaapproblemen en zijn schrikachtig. Tevens kunnen lichamelijke reacties als transpireren, hartkloppingen en duizeligheid voorkomen. Het percentage van mensen in Nederland dat te maken krijgt met een gegeneraliseerde angststoornis is ruim 2%.

Behandeling
Door middel van de juiste behandeling kan een angststoornis vaak sterk verbeteren. De behandeling kan bestaan uit medicijnen (antidepressiva of kalmerende middelen) of cognitieve gedragstherapie, of een combinatie van beide.
Cognitieve therapie gaat in op het denkpatroon van de patiënt en laat deze inzien dat het angstgevoel het gevolg is van een verkeerde interpretatie van lichamelijke verschijnselen, zoals een versnelde hartslag. Het formuleren van een meer realistischer interpretatie is een groot onderdeel van cognitieve therapie.